21 aug Vakantie
De dagen ervoor begon steevast het Grote Verzamelen. In de gang ontstond langzaam een vakantie-stort. Enorme canvaszakken met honderdvijfendertig tentstokken en allerhande De Waard-attributen, een voetpomp, opblaasbootjes, strandkarren, slaapzakken en matjes. Vouwbare borden, inklapbare tafels, gasflessen en rieten kleden die, telkens als je erlangs liep, roken naar stro, zon en de belofte van lome zomeravonden.
De dag ervoor volgde het Grote Proppen. Geen enkel hoekje van de VW Passat bleef onbenut. Rekening houdend met dat wat er écht in moest: voorin twee volwassenen, achterin drie kinderen, een koelbox en een oranje plasemmer. En daar gingen we, in het holst van de nacht. Vanuit het noordelijkste puntje van Groningen richting Zuid-Frankrijk. Een reis van ongeveer vijf dagen. Of, zoals ik hem categoriseerde: twaalf cassettebandjes die allemaal minstens twee keer omgedraaid werden.
Het keuzemenu was overzichtelijk: sprookjes van Grimm of Elly en Rikkert. We hadden geen schermpjes, geen snoepzakken – want tandartskinderen – en zelfs geen eigen walkmans. Achteraf vraag ik me af hoe we ons vermaakten, want tegenwoordig ben ik bij Zwolle al klaar met de reis, heb ik alle socials en nieuwssites al vier keer uitgespit en vervloek ik een slapend been.
Eenmaal aangekomen – hoe dat jaarlijkse ritueel zich precies voltrok is ergens in een zwart gat van mijn geheugen verdwenen – begon het Ongemakkelijke Gebeuren. Of tenminste: dat vermoed ik. Want ‘geen actieve herinnering aan’. Wel aan de foto’s achteraf. En het besef dat gedrukt bewijs van weken op een naturistencamping niet bepaald geschikt was om na de vakantie gezellig aan de buren te laten zien. Of op school.
Maar echt: hoe ging dat eigenlijk? Zette mijn vader de motor uit en trok vervolgens iedereen zwijgend zijn kleren uit, sandaaltjes eerst? Was er een speciaal tasje voor deze kleding? Meldde je je bloot bij de receptie, of mocht dat nog in een plakkerige reis-outfit? Gingen we éérst de tent opzetten, of gebeurde ook dat al in Adamskostuum? Hadden wij überhaupt zwemkleding in die jaren?
Zoveel vragen, nu. Toen niet. Het was gewoon hoe het was en dat accepteerde je als kind. Wij liepen ineens als Kwik, Kwek en Kwak achter de blote billen van mijn vader aan. Schaamte daarover – en hoe het afweek van ‘de rest – leerden we pas later, toen mijn broer ging puberen en niet meer wilde. Ik, vijf jaar jonger, had er toen nog vrij weinig moeite mee. Zolang de bare necessities maar aanwezig waren: een zwembad, een roze zwemband om vanaf de kant doorheen te springen, krekels die je ’s avonds in slaap zongen en grote plakken watermeloen die druppelden op je blote buik.
Ik hoop dat de komende vakantie weer een beetje zo voelt. Ik zou zélfs de cassettebandjes weer willen afstoffen (of ‘opdraaien’, met een potlood), als de auto nog een speler daarvoor had. Alles beter dan dat oeverloze Tour de France geneuzel waardoor je je partner nog vóór de route de soleil al bij de pomp wilt laten staan. De pomp waar jíj wilde stoppen, omdat je weer moest plassen. En dat, gezien je smetvrees, alweer bijna liever op die oude oranje plasemmer zou willen doen (even vergetend hoe spannend het werd als de bochten scherper werden en de emmer vol zat).
Veel van die vakantie-elementen probeer ik weer een beetje in ere te herstellen. In het eerste zwembad dat ik tegenkom, pik ik de eerste de beste (roze) band in van een kind om er doorheen te springen – of het nou past of niet. ’s Avonds wil ik watermeloen als toetje en krekels als nachtmuziek. Maar één ding doe ik anders: ik hou mijn kleren liever aan. Want een klein trauma heeft het toch wel opgeleverd: een naturistencamping vol jeux-de-boulende volwassenen bij vijfendertig graden: je ziet lavendel, je ruikt Franse schimmelkaas. Er zijn grenzen.
